Mijn verhaal
Waarom gaat jouw paard niet draven?
Over een paardenkamp, een schreeuwende instructrice, en hoe ik leerde mezelf zo goed mogelijk te verbergen.
“Ik wacht nog steeds op een antwoord, Winde! Waarom gaat jouw paard niet draven?”
De schelle stem van Petra, de instructrice, galmde dwingend door de rijbak. Daar reed ik op de bruine merrie, tussen tien anderen, op een paardenkamp dat ik zo graag wilde bijwonen. En nu wilde ik niets liever dan verdwijnen.
Buiten probeerde de zon nog wanhopig de wereld te overtuigen dat het lente was, zelfs al was het pas februari. Binnen leek die warmte ver te zoeken. De snijdende kou van de binnenbak gaf me kippenvel, ondanks het zweet dat langs mijn rug droop onder de warme wollen trui die mijn oma voor me had gebreid. Een trui die ik met trots droeg, groen met een paardenkop op de voorkant. Wat voelde ik me gelukkig toen oma hem overhandigde. Nu hing hij als een loodzware deken om mijn schouders.
Mijn handen trilden. Mijn hart bonkte zo hard tegen mijn ribben dat ik me afvroeg of anderen het ook konden horen. Elke seconde voelde ik me kleiner worden, mijn schouders gespannen, mijn hoofd gebogen. Ik probeerde wanhopig oogcontact te vermijden, alsof ik kon verdwijnen als niemand me zag. Maar de bruine merrie waar ik zo naar had uitgekeken, weigerde koppig in draf te gaan, hoe hard ik ook smeekte. Ja, ik had het geprobeerd, zelfs zachtjes gefluisterd tegen die stomme oren, maar wat wisten die nou van mijn paniek?
De blikken van mijn kampgenoten prikten in mijn rug. Muisstil was het in de bak, op het getik van hoeven en het geluid van meebewegende zadels na. Wat zouden ze wel niet van me denken? Mijn schaamte en paniek grepen me bij de keel, waardoor ik geen woord durfde uit te brengen op Petra’s eindeloze vragen. Ik voelde de scherpe pijn opkomen in mijn keel, en het laatste wat ik wilde was ook nog eens gaan huilen.
“Hoe kan het dat jij een tien haalt voor je theorietoets, maar niet eens je paard kan laten draven?”
Elke vraag voelde als een kramp die door mijn lijf schoot. Wanneer hield dit op?
Ik was niet zoals de anderen. Ik voelde me niet zoals de kinderen die vanaf dag één leken te passen, die sociaal, gevat en zelfverzekerd waren. Die zich geen seconde zorgen leken te maken of ze wel leuk gevonden werden. Ik was meer iemand die hoopte dat ze niet te veel was, die eerst wilde aftasten wie betrouwbaar en aardig waren. Een muurbloem, onzichtbaar, tot je me per ongeluk ontdekte. En dan, als mensen eindelijk doorhadden dat ik eigenlijk best grappig kon zijn, kwam er steevast de opmerking: ‘Jij bent wel een toffe.’ En de manier waarop dat woordje ‘wel’ werd uitgesproken was heel veel af te leiden.
Petra stond inmiddels met haar armen gekruist op het muurtje aan de rand van de bak, wachtend op een antwoord. En ja hoor, ze begon weer te schreeuwen dat ze nog steeds wachtte.
Waarom gaf zij mij niet gewoon het antwoord? Zij was toch de instructrice? Maar dat durfde ik natuurlijk niet te zeggen. Omdat ik nooit iets durfde te zeggen. Het voelde allemaal zo oneerlijk.
In een flits zag ik mijn slaapkamer voor me. Hoe graag had ik nu op mijn bed willen liggen, lezend of schrijvend in mijn dagboek. Waarom was ik hier? Waarom had ik me in godsnaam opgegeven voor dit stomme paardenkamp? Ik wist toch dat dit kon gebeuren?! Domme, domme trut dat ik was.
Er moest iets gebeuren om een einde te maken aan deze nachtmerrie. De blikken, de boze stem, ze moesten stoppen. En dus deed ik het enige wat ik kon bedenken.
“Omdat ik niet kan paardrijden,” antwoordde ik, verrassend vastberaden.
Achteraan de rij sloot mijn paard zich braaf aan, in cadans met de rest, zich nergens van bewust. Ondertussen voelde ik me nóg stommer dan ik me daarvoor voelde. Waarom kon ik niet gewoon normaal zijn, zoals de rest?
Die avond lag ik opgelucht in het bad dat mijn moeder voor me had laten vollopen. Straks kon ik lekker naar mijn kamer, waar niemand lastige vragen zou stellen. Terwijl het water donker kleurde van het stof op mijn huid, waste ik mijn haren en probeerde de knoop in mijn buik weg te spoelen. Tijdens het afdrogen fantaseerde ik over hoe ik die gemene heks de waarheid vertelde. Hoe oneerlijk en vals ze was. Dat je zo niet met kinderen omgaat.
Met een veeg haalde ik het condens van de spiegel en keek mezelf recht in de ogen. Ooit, ooit zou ik zó zeker van mezelf zijn dat mensen zoals Petra me niet meer bang zouden maken, beloofde ik mezelf.
Wat ik toen niet begreep, maar nu wel weet: wat ‘Petra’ deed liet sporen achter. Niet alleen in mijn herinnering, maar in mijn lijf. Mijn schouders die optrokken, het hoofd dat zakte, de pijn in mijn buik. Dat was mijn lichaam dat deed wat het moest doen op dat moment: overleven.
Kinderen leren snel wat veilig is en wat niet. Ze passen zich aan. Ze worden klein. Ze houden hun mond. Ze zoeken uitwegen die werken, en voor een lange tijd werken die ook. Volwassenen die een kind beschamen, negeren of te groot maken, leren dat kind onbewust iets over zichzelf. Niet alleen met woorden, vooral via de spanning die blijft hangen in het lijf. En onbewust leert ons lichaam zo dat je soms beter kan verdwijnen voordat iemand je ziet.
Totdat je op een dag merkt dat je jezelf zo goed hebt leren beschermen, dat je niet meer weet hoe je jezelf nog kunt laten zien zonder dat het bedreigend voelt. Ook al weet je het in je hoofd wel.
En dat beschermen ziet er trouwens niet altijd hetzelfde uit. Soms word je stil, klein, onzichtbaar. Maar soms, als reactie op diezelfde pijn, wordt je juist groter en luider. Zet je alvast je stekels op. Je leert ruimte opeisen voordat iemand anders die van je afpakt. Dat is een ander masker, maar het komt uit dezelfde wond.
Ik heb beide gekend. Sterker nog: ik ken ze nog steeds. Maar ik weet ook de weg terug als het gebeurt. Dat was en is een proces, via mijn lijf. Voelen wat er werkelijk zit onder de bescherming. Leren dat het veilig kan zijn om gezien te worden, ook als dat vroeger niet zo was. Dat kleine meisje met die loodzware trui van oma mag er uiteindelijk gewoon zijn.
Reactie plaatsen
Reacties